Hij was 35 jaar missionaris in Congo. Hij is nu zeven jaar missionaris in Zuid-Limburg. Want missionaris, dat ben je voor het leven. Niet om ‘zieltjes te winnen’, want ‘dat regelt God zelf wel’. Wel om samen met een gemeenschap te leven en leren, te delen en ontvangen. Dicht bij de mensen, dus soms creatief met de regels. “Ik schreef tijdens mijn opleiding essays waar de Paus niet vrolijk van zou worden.” In de Week van de Missionaris vertelt pastoor René Graat, Mill Hill Missionaris, alias ‘Bombuli’, over zijn ervaringen.

De afgelopen maanden bereidde hij weer tientallen kinderen voor op hun Eerste Heilige Communie; de eerste zelfbewuste keus voor het geloof in de katholieke kerk. En hij ontving Jehova’s Getuigen nadat ze een folder achterlieten op de pastorie over een katholieke pastoor die overstapte naar hun geledingen. “Ze zijn een uur hier geweest en we namen afscheid met ‘graag tot een volgende keer’. Ze hebben me niet kunnen overtuigen, maar we zijn allemaal Christenen; de grondslag en het wezen van ons geloof is gelijk. Ze probeerden me te overtuigen dat de bijbel letterlijk moet worden genomen, maar ik geloof in de evolutie. Ik geloof niet dat de mensheid is ontstaan uit Adam en Eva als enige ouderpaar. Daar hadden ze moeite mee. Uiteindelijk bleek ik ook heel wat bijbelteksten te kennen, al kon ik niet zo goed als zij aanwijzen waar het precies stond.  Ik vind het belangrijk dat mensen die zo begeesterd zijn door God daar eens over kunnen praten. Maar niet om mij over een brug te trekken. Dat heb ik ook nooit gedaan.”
Hij herinnert zich nog goed hoe in zijn jeugd de “ronselaars” van congregaties aan de deur kwamen bij zijn vader, met de vraag of er nog jongetjes woonden met interesse in het seminarie. “Hoe beleefd mijn vader normaal altijd was, zo beslist en kortaf was hij toen: Nee! Ze moesten niet aan zijn zoon komen”, herinnert René Graat (Heerlen, 1945) zich.

Geen stamhouder

Vooral voor zijn vader was het even slikken toen hij op vijftienjarige leeftijd koos voor het klein seminarie van Mill Hill in Tilburg; een gymnasiumopleiding voor missionarissen. Hij had net een ernstig ongeluk overleefd, waarbij een stukje schedelbot in zijn hersenen was terechtgekomen. Hij behoorde tot de vijf procent die zoiets destijds overleefde zonder blijvend letsel. “Toen ik de neurochirurg in Tilburg bedankte, zei hij me dat ik de verkeerde aan het bedanken was. Ik moest God bedanken.” In de maanden die hij daarna in bed lag, werd hem steeds duidelijker dat hij zijn leven dienstbaar wilde doorbrengen.
Een kennis van zijn ouders was Mill Hill Missionaris in Congo en vertelde altijd bevlogen over zijn werk tussen de mensen. “Hij was heel gewoon; praatte niet over God of de missie. Hij inspireerde me geweldig en ik dacht: Laat ik het eens proberen. Ik had niet zoveel op met de clerus in Zuid-Limburg in die tijd, dus ik wilde geen pastoor in Limburg worden. Velen stonden boven de mensen in plaats van tussen hen in. En daarnaast wilde ik graag iets kunnen betekenen voor mensen die het echt nodig hadden, zoals in Congo.”
Vader Graat, die erg moest wennen aan het idee dat René geen stamhouder zou voortbrengen, accepteerde diens keus uiteindelijk, omdat hij zag dat zijn oudste zoon er helemaal voor ging. “Jaren later, op een avond bij het drinken van de laatste, zei hij: ‘Wat er met jou ook gebeurt en welke kant je ook opgaat, de voordeur blijft altijd open voor jou.’ Dat geeft me nu nog kracht en de innerlijke overtuiging: Ik zit goed in elkaar.”

Verliefd

Tegen het einde van zijn gymnasium begon de marine hem ook te interesseren, en hij werd voor het eerst verliefd op een meisje tijdens vakantiewerk. “Margriet heette ze geloof ik, uit Vaals.” In gesprekken met zijn begeleider kwam hij uiteindelijk toch tot de conclusie dat hij missionaris wilde worden. “Ik voelde dat ik een steeds sterkere band met Jezus Christus had gekregen; dat hij op het seminarie veel meer voor me was gaan leven.” En dus ging René naar het Groot Seminarie in Roosendaal, om twee jaar filosofie te studeren, en daarna naar Londen, voor nog vier jaar theologie en aanverwante vakken. Het studeren ging hem goed af, ‘ik wilde uitgezonden worden en daarvoor moest ik gewoon mijn examens halen. Ik studeerde niet omdat ik het geweldig leuk vond, maar met een doel.’ Op andere gebieden waren er wat hobbels op de weg.
“Vlak voordat ik mijn eeuwige eed moest afleggen en dus bijna klaar was met de opleiding, kreeg ik te horen dat ik ‘uitgesteld’ was vanwege ‘a certain spiritual immaturity’. Daar ben je dan al negen jaar mee bezig. Op dat moment ging de gedachte door me heen: Niet verbitterd raken en niet boos worden. Ik ben ontvlambaar, zo was ook al uit een psychologische test tijdens de opleiding gebleken, dus die reactie kon onmogelijk van mij komen. Dat noem ik een godsontmoeting.”
De reden voor zijn uitstel waren drieërlei: hij kwam soms niet opdagen in de mis, omdat hij moeite had met vroeg opstaan, hij sprak een Nederlandse collega in opleiding wel eens in het Nederlands aan om te plagen en hij schreef soms essays waar de Paus niet vrolijk van zou worden. “Ik flapte eruit: ‘U hoeft ze toch niet op te sturen?’ Bij de opdracht om een essay te schrijven over waarom seks voor het huwelijk tot op het bot slecht was, maakte ik een onderscheid tussen mensen die al langer verloofd waren en nog op een eigen huis wachtten tot ze konden trouwen, of mensen die elkaar één avond ontmoetten. Dat was foute boel in de katholieke leer.” Hij kreeg een half jaar om bij te draaien, waarbij hij de eerste twee punten aanpaste en het derde liet voor wat het was. “Wat ik meen en geloof, daar blijf ik bij. Maar je moet weten wanneer je wat kunt zeggen.”

Njakomba

Eén van de belangrijkste lessen die hij bij Mill Hill leerde was: Het eerste jaar dat je ergens op missie bent, doe je je mond alleen open om informatieve vragen te stellen. Geen discussie. “Zo heb ik het ook aangepakt toen ik zeven jaar geleden terugkwam naar Nederland. Alleen vragen stellen en luisteren.” In 1972 vertrok hij naar Congo, naar het bisdom Basankusu, zo goot als de Benelux. Achteraf noemt hij zijn ideeën destijds erg simpel. “Ik dacht dat ik heel veel wist, wat ik die mensen allemaal zou gaan vertellen. Maar toen ik aankwam, werd duidelijk dat ik eerst hun taal moest leren spreken.” Hij werd naar de Ngombe-stam gestuurd en leerde het Lingombe spreken.
Nooit heeft hij gestreefd naar het ‘bekeren van mensen’. “Dat is een groot misverstand over het missionariswerk, dat helaas nog steeds bestaat. En een paar jaar geleden hoorde ik een bisschop een collega bedanken voor alle duizenden zielen die hij tot God had gebracht. Denk je dat God daar de mensen voor nodig heeft? Hij heeft alleen mensen nodig om zijn zienswijze te verduidelijken.”
De mensen in Congo wisten al lang voor de komst van missionarissen af van het bestaan van God. “Ze hadden er een eigen woord voor:  Njakomba. Ik zag het niet als mijn taak om zoveel mogelijk mensen de kerk in te krijgen, maar om in woord en daad duidelijk te maken wie God is. In mijn ogen is hij een vader die van ons houdt. Niet iemand die met z’n bonnenboekje rondloopt om te zeggen: ‘Dat is fout en daar krijg je zoveel boete voor’.”

Blikvoer

In de praktijk stond René vooral in spijkerbroek en T-shirt, met zijn teenslippers in de klei, soms letterlijk. Het onderwijs was een taak van de missionarissen, dus hij regelde lesruimte, lesmateriaal en lonen voor docenten. Maar ook onderdak voor de familieleden van patiënten in het kleine ziekenhuis. Hij regelde samen met artsen een vaccinatieprogramma voor kinderen. Hij bezocht de dorpen in zijn parochie om de mis te vieren, kinderen te dopen, echtparen te trouwen of bijvoorbeeld zelf wegen te bouwen met de mensen.
“En ’s avonds lekker te klessebessen. De eerste keer dat ik het binnenland in ging, kreeg ik een aantal blikjes eten mee en iemand om het klaar te maken. De mensen zaten gezellig samen aan tafel en ik zat alleen met mijn blikvoer, omdat onze darmen niet bestand zouden zijn tegen landeigen eten. Dat was de eerste en de laatste keer. In 35 jaar tijd heb ik nooit darmproblemen van het eten gehad, het was heerlijk.” Ook van de plaatselijke, zelfgestookte soort jonge klare dronk hij aanvankelijk gewoon mee. Totdat zijn Nederlandse huisarts bij de tweejaarlijkse vakantie-check-up signaleerde dat de lever eraan onderdoor dreigde te gaan. “Terwijl ik in verhouding tot de mensen daar nog weinig dronk, maar het alcoholpromillage was soms rond de zeventig procent.”

Bombuli

In Congo heeft René zichzelf echt leren kennen, zegt hij wel eens. Via bijnamen die hij kreeg, werd hem door de bevolking een spiegel voorgehouden. Eén ervan is ‘bombuli’. “Een bombuli is een heel grote antilope met twee lange hoorns die eindigen als breinaalden. Je kunt met dat dier alle kanten op, behalve als ze jongen heeft. Dan komt ze in de zesde versnelling met die hoorns op je af. De mensen hadden gemerkte dat ik heel goed met kinderen overweg kon en woest werd als hen onrecht werd aangedaan.”
De Congolese bisschop Matondo, onder wiens verantwoordelijkheid hij werkte, heeft een belangrijke invloed op hem gehad. “Hij heeft me geweldig geïnspireerd, omdat hij de mensen kende, op hun niveau werkte en hij stond voor ‘la pastorale d’ensemble’, oftewel ‘iedereen wordt zonder voorwaardes uitgenodigd om actief lid te zijn van de kerk.’ Die nadruk op de gemeenschap is heel erg Afrikaans. In Nederland is de maatschappij gebaseerd op organisatie. In Congo waren menselijke eigenschappen belangrijker dan je studie of status, of de vraag of je gedoopt was. Matondo begreep dat en daardoor voelde jong en oud zich erg betrokken bij het kerkgebeuren.”

Bisschop a.i.

In 1998, tijdens de Congolese burgeroorlog, werd Matondo overgeplaatst naar een ander bisdom. “Aangezien ik het meest met hem samenwerkte en ook tot de wat oudere garde behoorde, werd ik benoemd tot bisschop ad interim. Wie wil dat nou? Ik ben te weinig van de regels om bisschop te zijn, maar bovendien hebben we vanuit Mill Hill altijd gestreefd naar het eigen maken van de kerk door de bevolking. Er was een landeigen bisschop, die werd overgeplaatst en dan moest ineens een blanke weer de baas worden. Dat was een stap terug.”

In het bisschopshuis droeg hij wel bij hoge uitzondering een keer zijn witte toog. De ambassadeurs van de VS, Engeland, Rusland, China en Frankrijk zouden op werkbezoek komen om te kijken of het bestand tussen de rebellen van Bemba en de regering standhield in het bisdom Basankasu. Het bisschopshuis was de meest neutrale plek en zodoende was René gastheer. In zijn witte toog, met dieprode Mill Hill-sjerp, werd hij door de hoogwaardigheidsbekleders aangezien voor bisschop. Hij liet het zo. “Ik heb me zodoende in de discussie kunnen mengen en gepleit voor het stabiel houden van de situatie zoals deze toen was. Niet Bemba dwingen zich verder terug te trekken, wat op dat moment nog meer bloedvergieten onder de bevolking had veroorzaakt. Dat het toen niet is gebeurd, zal niet alleen aan mij hebben gelegen. Ik pleitte ook voor een blauwhelmengroep om de regeringstroepen weg te houden uit Basankusu. Die zijn er uiteindelijk ook gekomen.” Op de vraag van één van de ambassadeurs aan wiens kant hij eigenlijk stond, antwoordde bisschop ai René Graat: “Niet aan uw kant en niet aan de kant van de strijdende partijen. Maar aan de kant van de bevolking.” En hij was niet de enige missionaris met die houding, benadrukt hij. “Op een tentoonstelling van honderd jaar Cordaid op het Vrijthof in Maastricht las ik de tekst: ‘De missionaris was onlosmakelijk verbonden met de kolonisatie’. Daar werd ik boos om en bedroefd. Zo eenzijdig was het absoluut niet. Missionarissen hebben meer dan eens opgetreden tegen kolonisators die zich misdroegen tegenover de bevolking.”

Tranen

Zoals de roeping van René begon met een lichamelijk letsel, zo luidde een lichamelijke kwaal ook het einde in van het pure missiewerk waarvan hij zo hield. In de jaren negentig werd hij geopereerd aan een rughernia, waarna de artsen hem verboden op de slechte Congolese wegen te rijden. “Ik deed dat toch en dacht dat het prima ging, tot het drie jaar later weer mis was en ik opnieuw geopereerd moest worden.” Het was over en uit met het werken in de binnenlanden van het bisdom en in 1994 kreeg hij een organiserende functie. “Mijn moeder was een paar weken eerder gestorven en ik dacht dat mijn tranen op waren. Maar toen ik die mededeling kreeg, bleek ik er nog heel wat over te hebben.”
Daarnaast kwam er in 2001 een nieuwe bisschop, Mokobe. “Als ik vond dat Matondo onzin praatte, kon ik tegen hem zeggen: ‘Monsigneur, dat is intellectuele oneerlijkheid’. Dat kon hij hebben. Met Mokobe klikte het minder goed, ondanks het feit dat hij mij zijn eerste pastorale leermeester noemde, omdat hij in zijn studietijd een paar maanden stage bij me liep in Congo toen hij twijfelde aan zijn roeping. Ik miste het pastorale werk enorm.”
Dat René’s werk wel werd gewaardeerd, bleek toen hij Mokobe vertelde dat hij na de vakantie van 2007 niet meer terug zou komen. De bisschop bood hem aan een eigen parochie te kiezen. Los van het feit dat dat fysiek niet meer kon, vond René het ook niet passen bij zijn rol. “Een missionaris helpt mensen hun eigen kerk te stichten en daarna trekt hij zich terug. Dan zijn wij in principe niet meer nodig. Toen ik aankwam waren er in het bisdom vijf landeigen priesters en dertig missionarissen. Toen ik vertrok was dat andersom. Het was een goede beslissing om te vertrekken, maar wel met pijn achteraf.”
Een jaar geleden, tijdens een bezoek van Mokobe aan België, ontmoetten ze elkaar weer. De bisschop vroeg of René echt niet terug wilde komen naar Congo. “Ik heb geantwoord dat hij met die vraag zout in een open wonde smeerde. Want ik zou heel graag willen en ik mis het werken tussen de mensen, hun engagement, de betrokkenheid bij elkaar en het geloof, die hier in Nederland een stuk minder is.” Hij is graag in Zuid-Limburg, waar hij in drie dorpen weer basispastoraal werk kan verrichten zoals hij het als missionaris in Afrika ook deed. “Maar 35 jaar is niet niks. Ik heb nog veel contacten met de mensen daar en stuur met behulp van de plaatselijke gemeenschap hier regelmatig geld. Dagelijks volg ik het nieuws uit Congo. Voor mijn gevoel zit ik nog steeds een beetje daar.”

De betrokkenheid bij de kerk is in Nederland flink teruggelopen in de 35 jaar dat hij in Congo zat.

Is het een probleem dat steeds minder mensen naar de kerk gaan?

“Ik vind het vooral meer dan jammer, omdat ik denk dat een geloofsgemeenschap iets te bieden heeft. Het meedoen aan vieringen in de kerk, in een gemeenschap, sterkt mij; het geeft me nieuwe moed, meer inzicht en geduld. Dat gun ik anderen ook. Ik ben het helemaal eens met mensen die zeggen: Ik hoef niet naar de kerk, het gebouw, om te bidden. Als ik telkens naar de kerk moet als ik met Jezus of God wil praten, kan ik er beter een tent opzetten. Maar wat doen mensen ervoor in de plaats, vraag ik me wel eens af.”

Hoe kijkt u aan tegen de sluiting van kerken in bijvoorbeeld het bisdom Utrecht?

“Ik ben blij dat onze bisschop geen kerken in dorpen wil sluiten, want daarmee haal je  de ziel uit een dorp. Dat voelt hij beter aan dan de aartsbisschop van Utrecht. Mensen in de parochies worden opgeleid om voor te kunnen gaan in een woord- en communiedienst. Dat kunnen ze heel goed en dat zorgt voor continuïteit; het is belangrijk dat ze hun eigen parochie voort kunnen zetten, ook als er na mij een pastoor komt voor nog meer parochies. Heel officieel mogen ze geen communie uitreiken; het bisdom heeft het liever niet. Maar ik maak er ook geen geheim van.”

U bent niet zo van de regels?

“Sommige vind ik moeilijk in de praktijk. Neem de materie rond echtscheiding. Als je voor de kerk getrouwd bent en dan gaat scheiden, kun je niet opnieuw in de kerk trouwen, tenzij je een kerkelijke nietigverklaring hebt, die lastig te verkrijgen is. In de katholieke leer leef je dan met je nieuwe partner ‘in zonde’. Terwijl deze mensen het soms heel fijn vinden om met een priester stil te staan bij hun nieuwe verbintenis. Daar heb ik tot nu toe twee keer een creatieve invulling aan gegeven, zoals een ‘mis uit dankbaarheid naar de ouders’ en dankbaarheid voor het feit dat ze elkaar ontmoet hadden en ook om Gods hulp voor hen te vragen.
Sommige mensen gaan misschien liever naar een kerk waar de vieringen duidelijk gestructureerd zijn, waar geen grapjes verteld worden, waar de misdienaars keurig rechtop staan met de handen gevouwen en op tijd hun knievallen en buigingen doen. Ik doe het meer op het gemak. Ik maak geen grapjes op momenten dat ik met handelingen bezig ben die duidelijk aan God gerelateerd zijn, zoals de communie. Maar in de preek moet een grapje kunnen. En als de misdienaars de weg kwijt zijn, ga ik daar ludiek mee om.”

Verwacht u van de kinderen die communie doen en hun ouders dat ze nog vaak naar de kerk komen?

“Nee, ze komen misschien nog een paar keer in het jaar, vooral naar de gezinsmissen waarbij kinderen een prominente rol hebben. Vroeger namen ouders hun kinderen mee naar de kerk, nu is het soms andersom. Ik vind het vooral belangrijk dat de kinderen een relatie met God blijven houden. Dat hij geen vreemde voor hen wordt.”

Het seksueel misbruik van kinderen in de kerk, en bijvoorbeeld de affaire Hafmans, heeft daar weinig goed aan gedaan.

“De zondag nadat het rapport Deetman uitkwam in 2012, moest in alle katholieke kerken een brief worden voorgelezen van de aartsbisschop. In die brief zat geen enkele empathie. Die wilde ik niet voorlezen aan de mensen. Dus ik ben er met mijn eigen woorden over gaan praten in de dienst. Eerst in Reijmerstok, daarna in Banholt en tot slot in Noorbeek. Het werd steeds duidelijker voor me wat ik wilde zeggen en ik werd steeds emotioneler. De mensen werden muisstil. Ik vertelde op mijn manier dat hier niks van klopte. Hoe erg het is dat onschuldige mensen zo beschadigd zijn.”
Hij vertelt hoe hij een jongetje met zijn fiets zag vallen op straat, voor de pastorie in Banholt. De pastoor haalde hem naar binnen voor een pleister met jodium op de grote schaafwond op zijn knie. En omdat dat door de kapotte broek heen niet handig was, liet hij het jongetje zijn broek even omlaag doen. “Naderhand dacht ik: ‘Was dat niet een beetje dom?’ Maar op dat moment dacht ik alleen aan de paarden die hier op straat poepen en dat de wond ontsmet moest worden.”

Hoe ziet u de rol van het celibaat in het kindermisbruik in de kerk?

“Ik denk dat het er weinig of niks mee te maken heeft. Bij mijn collega’s van de protestantse kerk, die mogen trouwen, is het probleem hetzelfde. Het komt voor bij mannen die niet goed in hun vel zitten. Overigens vind ik wel dat het celibaat een vrijwillige keuze zou moeten zijn, zoals Jezus dat ook heeft geformuleerd. De Rooms-Katholieke kerk heeft van zijn uitnodiging een verplichting gemaakt, maar daar ben ik het niet mee eens. Ik heb niet voor het celibaat gekozen omdat de paus dat wil, maar omdat ik iets heb met Jezus Christus.”

Heeft u spijt dat u geen gezin hebt gesticht?

“Op dit moment heb ik daar geen spijt van, nee. Maar in het verleden heb ik wel eens gedacht; ‘Als ik die vrouw eerder was tegengekomen, was ik nu geen pastoor geweest.’ Ik ben meerder keren verliefd geweest en dan voel je dat er meer is dan een celibatair leven. Op die momenten praatte ik erover met iemand die ik vertrouwde, waardoor het hart lucht kreeg en ik makkelijker tot een overweging kon komen. Telkens dacht ik: ‘Ik ga hier toch mee door.’ Een keer stelde een vrouw voor om stiekem een relatie aan te gaan, zoals wel meer pastoors dat deden. Maar dat vond ik oneerlijk tegenover haar, mijzelf en de mensen in de parochie. Het zou voelen als gesjoemel.”

Heeft u ooit getwijfeld aan uw geloof?

“Ik heb nooit hevig getwijfeld aan het feit dat God er voor mij is. Wel heb ik me soms afgevraagd hoe ik daar invulling aan moet geven. Ik denk wel eens: ‘God, als jij er bent, kun je dan niet eens meer doen voor die persoon? Kun je niet even laten weten dat je er bent?’ En als dat dan niet lijkt te gebeuren, heb ik wel eens een beetje moeite met God. Iedere ochtend zit ik twintig minuten stil en praat ik met hem. Dan heb ik echt het gevoel dat er iemand luistert, dat er contact is. Terugpraten valt helaas wat tegen; ik zou best wat vaker goede raad krijgen.”