Alcohol

Observant, weekblad Universiteit Maastricht, november 2010

Ik drink geen alcohol. Of beter: ik lust geen alcohol. Ik heb dus geen moralistische of principiële bezwaren, al moet ik toegeven dat mij bij de aanblik van lallende mensen vaak de gedachte bekruipt: “Je moest jezelf eens terug kunnen zien als je weer nuchter bent.” Het gebrek aan controle over woord en daad staat me tegen, maar ik weet ook wel dat lallen een uiterste consequentie is, aan het andere einde van het spectrum dat begint bij ‘we drinken gezellig een wijntje’.


Toch ben ook ik ooit aangeschoten geweest. Ik werkte bij een regionale krant als verslaggever en daar meldde zich een oudere Belg met een zogenaamd ‘wondermiddel’. Een klein flesje met een sapje dat naar peer smaakte. Als je meer had gedronken dat wettelijk was toegestaan om te mogen rijden, dronk je dat flesje leeg en na een half uur kon je gewoon weer achter het stuur. De alcohol werd op miraculeuze wijze uit je bloed gefilterd. Hij ging het op de markt brengen en of wij er een positief stukje over wilden schrijven. De redactie zag er de grap wel van in en vroeg twee proefexemplaren van het perensapje.
Ik was het proefkonijn, samen met mijn chef, en op kosten van de krant doken we de kroeg in tegenover het politiebureau. Daar hadden we om acht uur een afspraak voor een blaastest en een half uur later nóg een keer, dus het was zaak ons binnen anderhalf uur goed te bezatten. Zes flinke bellen rode wijn sloeg ik professioneel achterover, mijn protesterende smaakpapillen negerend. Mijn chef, die een meer geroutineerde drinker was, slaagde erin tien biertjes te drinken in die anderhalf uur. Toen ik opstond van mijn barkruk voelde ik de vloer enigszins golven, maar verder had ik alles onder controle. “Vertrouwen is goed, controle is beter”, zegt mijn vader altijd. Gearmd, tussen mijn chef en een nuchtere collega in, toog ik naar het politiebureau.
Aldaar bleek mijn alcoholpromillage ruim twee keer het maximum toegestane niveau te hebben overschreden. Mijn chef zat er maar een beetje boven. We sloegen het perensap achterover, wachtten een half uur en bliezen opnieuw.
Het meest opmerkelijke resultaat van dit experiment was dat de lever van mijn chef dermate getraind was in het wegwerken van grote hoeveelheden alcohol, dat hij alweer achter het stuur mocht. Het bewijs dat dat alleen aan zijn lever te danken was, leverde ik: mijn promillage was nagenoeg ongewijzigd. We hadden een droeve mededeling voor de Belg: zijn wonder was een illusie, waarin hij in al zijn naïviteit een groot deel van zijn spaargeld had geïnvesteerd.
Nooit heb ik daarna meer de moeite genomen om te ‘leren’ alcohol te drinken. Waarom zou ik ook eigenlijk? Mijn vriend en ik hebben nooit discussies over wie rijdt, ik heb nooit een kater en als ik een glas appelsap bestel, hoef ik niet af te wachten wat de kwaliteit deze keer is.
Maar de laatste tijd begint er iets te gisten in mij… Controle is goed, maar loslaten blijkt de ware levenskunst.