Bèr

Observant, weekblad Universiteit Maastricht, april 2011

Het was liefde op het eerste gezicht toen ik hem een paar jaar geleden zag in de mensa aan de Tongersestraat. Omringd door leeftijdsgenoten genoot hij van een warme maaltijd. Meestal met volle aandacht voor zijn bord en alles wat zich daarop nog bevond, soms glimlachend knikkend naar zijn tafelgenoten ten teken dat hij het gesprek volgde. Was de warme maaltijd op, dan begaf hij zich opnieuw in de studentenmassa voor een toetje. Alsof het een pasgeboren vogeltje was, droeg hij het zorgzaam naar de stamtafel, om het met evenveel aandacht op te lepelen.


Het duurde niet lang of hij had mij ook in het vizier. We maakten oogcontact, een week later knikten we vriendelijk naar elkaar, en weet een week later zwaaiden we uitbundig zodra we elkaar hadden ontdekt. Ik had een zwak voor hem, misschien omdat hij me een beetje aan mijn vader deed denken.
Zoals mijn vader eruit zou zien als hij 80+ zou zijn, want Bèr, zoals de echte Maastrichtenaar bleek te heten, was de pensioengerechtigde leeftijd ver gepasseerd. En dat maakte het juist zo stoer: dat hij zich elke middag in de kolkende mensamassa begaf, met de uiterlijke rust die ouderen karakteriseert en de onbevangenheid van een jonge hond.
Als ik hem toevallig op straat tegenkwam, lichtten zijn ogen op, schudden we elkaar vrolijk de hand en zei hij steevast: “U ziet er goed uit!” “U ook!”, antwoordde ik welgemeend. En nadat we elkaar een goede dag hadden bezorgd, vervolgden we onze wegen.
Omdat ik een tijd niet meer in de mensa at, zag ik hem opeens een jaar of wat niet. Totdat hij laatst ineens op de Looiersgracht liep, op weg naar een andere eetvoorziening, zo bleek. De pasta’s in de mensa spraken hem tegenwoordig minder aan dan de ouderwetse stamppotten die op zijn nieuwe adres werden bereid. Zolang het maar geen schorseneren waren, lustte hij daar alles. En ja, hoor, het ging uitstekend met hem, op een paar kleine kwaaltjes na. “Vergeleken met leeftijdsgenoten mag ik niet klagen”, zei hij optimistisch. Optimistische ouderen, daar houd ik van.
“Vindt u het goed als ik u kus?”, vroeg hij toen het tijd was afscheid te nemen. “Maar zeker!”, riep ik uitbundig en we kusten elkaar drie keer op de wangen.
Het lijkt me hoog tijd voor een gezamenlijk etentje.