De gast

Mei 2018

“Is het kind dat met Lego speelt thuis?” Voor me staat een jongen van een jaar of acht. Dezelfde leeftijd als mijn zoon, alias het-kind-dat-met-Lego-speelt. “Nee, hij is er niet”, zeg ik. “Ken je Lieuwe?” Na een korte denkpauze schudt hij nee. “Ik wil gewoon iemand om mee te spelen, want mijn moeder is niet thuis.” “Maar hoe weet je dan dat Lieuwe hier woont? Of ga je alle huizen langs, op zoek naar iemand om mee te spelen?” Hij is mijn vragen nu al beu. Op zijn rug hangt een grote, sportieve rugzak. In de zijkant van zijn haar is een patroon geschoren. “Doei”, mompelt hij en hij loopt weg.

Een paar dagen later is hij er weer en weer is mijn zoon niet thuis. “Waar woon je eigenlijk?”, vraag ik. “Daarachter”, wijst hij vaag de straat in. “En hoe heet je?” Hij mompelt iets onverstaanbaars en weg is hij weer. Mijn zoons nieuwsgierigheid is inmiddels immens. “Je moet hem de volgende keer zeggen wanneer ik thuis ben. Dat hij dan terug  moet komen”, zegt hij.
Maar de volgende keer dat het bezoek weer aanbelt is het-kind-dat-met-Lego-speelt thuis. Zijn klasgenoot Jean-Philippe is deze woensdagmiddag meegekomen om te spelen. Mijn zoon stapt meteen naar buiten, op de jongen af. “Dus jij bent al een paar keer hier geweest omdat je met mij wou spelen”, zegt hij, alsof hij Sherlock Holmes is en zojuist een belangrijk inzicht heeft verworven. “Ja, maar nu heb je al een vriendje te spelen”, probeer ik, want ik voel me niet helemaal op mijn gemak met een vreemd kind dat zo out-of-the-blue aan de deur komt.

Ik heb inmiddels bedacht dat de Lego van mijn zoon soms op de vensterbank voor het raam staat, en dat de jongen daaruit terecht heeft geconcludeerd dat hier een mogelijke speelkameraad woont. Maar het is ook duidelijk dat hij uit een ander soort gezin komt en hoewel ik zelf altijd probeer mijn kinderen te laten zien dat het goed is je open te stellen voor mensen die anders lijken, merk ik ook dat ik voor mijn zoon beducht bent voor een negatieve ervaring. Of invloed.
Mijn zoon ziet geen probleem. “Hij kan toch met ons meespelen?”, zegt hij. Jean-Philippe vindt het best. Vooruit dan, denk ik. “Hoe heet je eigenlijk?”vraag ik nog, vlak voor hij binnenstapt, alsof het een codewoord is dat gaat bepalen of hij erin mag of niet. Hij valt even stil, alsof hij ook denkt dat hij één kans heeft het juiste woord te noemen. “Dylano”, zegt hij dan, te zacht. “Hoe?” “Dylano.” “Ok, kom maar binnen dan.”

In de woonkamer knielt hij als eerste bij de opgestelde Lego. Daarna ziet hij de spelcomputer en mijn zoon laat hem alle spellen zien. “Ik heet Lieuwe”, zegt hij en daarna stelt hij zijn vriend en zijn zusje formeel voor aan zijn gast. Die lijkt het weinig te interesseren. “Zullen we dit spel gaan spelen?”, zegt hij. “Nou, wij wilden eigenlijk Minecraft gaan doen”, zegt mijn zoon. “En ze moeten eerst nog een boterham eten”, zeg ik.
Terwijl de drie kinderen aan tafel zitten, bekijkt de gast met ontzag de tuin en gaat enthousiast op het Nerf-pistool af dat mijn zoon laatst dan toch maar mocht kopen van zijn spaargeld. Zijn rugzak houdt hij om, alsof hij ieder moment weer moet vertrekken. Ik houd hem nauwlettend in de gaten.
Als mijn zoon zijn bord leeg heeft, probeert de gast hem te verleiden alvast te beginnen met de computer.  “Nee, we wachten nog even op mijn vriend Jean-Philippe”, zegt hij beslist.

Er klinkt een mij onbekend computerdeuntje en de jongen vist snel een groen, simpel mobieltje uit zijn broekzak. Een niet-blije volwassen stem tettert door het toestel. “Was dat je moeder?”, vraag ik als hij het mobieltje weer in zijn zak steekt. “Nee.” “Weten je ouders dat je hier bent?” Geen duidelijk antwoord. “Op welke school zit je eigenlijk?”, vraag ik. Pas na een paar keer aandringen noemt hij de school voor speciaal basisonderwijs verderop in de stad. Ik ken de naam alleen omdat een jongen uit Lieuwes klas vorig jaar naar die school vertrok, nadat hij al zijn klasgenoten het leven zuur had gemaakt.
Zijn mobieltje gaat opnieuw en na een paar woorden loopt hij naar de voordeur. “Ik moet gaan.” Pas nu mijn borstkas ontspant, voel ik de spanning van de afgelopen twintig minuten.

“Tot morgen!”, zegt hij.